Bjorn is hier geweest met vrienden

Bij een tekst op een lantaarnpaal


Een reactie plaatsen

Bjorn op zolder: Ties Krijger

Nooit gedacht dat ik die geur nog eens zou ruiken. En toch rook ik hem, die zoete, weeïge lucht die me had overvallen toen ik zijn woning betrad. Op dat moment stond ik bij de brievenbus om een machtiging op de post te doen. Ik had die in het postkantoor willen afgeven, omdat ik daar toch moest zijn om mijn ov-kaart op te laden. Maar ik was het vergeten. Vandaar dat ik naar de dichtstbijzijnde brievenbus was gelopen. Ik had het niet eens in de gaten, associeerde die plek niet met dé plek. De lucht bracht me terug en ik keek omhoog naar halfopen gordijnen. Nieuwe bewoner(s), de geur allang verdwenen. Hoe kan het dan dat die zich zo aan mij opdrong alsof hij daar nog hing? En toen zag ik die vreselijke tekst op de paal. Ik heb je ervan verteld. Hij weet niet wie die tekst geschreven heeft, zegt hij. Krop in mijn keel. Nu weer. Sorry, het is de spanning.

Nee, ik weet niet echt hoe het met hem gaat. Ik moet erover praten, vind je? Wij moeten erover praten, met zijn allen? Ik weet niet of ik daar zo’n zin in heb. Hij doet wat hij wil.
Heb jij het zien aankomen? Ik probeer begrip te hebben voor de situatie die er is ontstaan, maar ik begrijp niet hoe hij zolang over heeft kunnen zwijgen over zijn verschrikkelijke leven. Het ondermijnde vertrouwen is de crux in dit verhaal.
Ik had wel een vermoeden dat het er een puinhoop zou zijn, vandaar dat hij ook alleen nog maar bij ons kwam. Zijn voordeur bleef gesloten, wanneer je ook op zijn stoep stond. Maar de laatste keer kwam hij niet opdagen. Ik denk dat het een half jaar geleden is dat ik hem zag.
Hij zag er niet goed uit, ik was geschokt door zijn uiterlijk. De alcohol maakte hem bijna onherkenbaar. Ik heb hem gevraagd of hij hulp nodig had, maar hij ontkende dat er iets met hem aan de hand was. Hij zat op zijn aimabele praatstoel en ik wilde hem graag met mijn ogen dicht geloven.

Ik had overigens van hem gedroomd, heb ik dat nog niet verteld? Ik was beneden, bij de Toko. Er was een uitslaande brand in zijn woning. De brandweer bracht zijn ingepakte lijk via het balkon naar buiten. Ik voelde me verslagen, triest. We hadden meer voor hem moeten doen. Nu was het te laat. Misschien kon ik nog iets van hem redden, een herinnering, maar ook om zelf in ogenschouw te nemen dat hij er echt niet meer was. Tja. En verdomd, hij deed zelf de deur open. Niks aan de hand. Hij zag er goed uit, jaren jonger, tegengesteld, dus verheugd om mijn komst. Ik heb gezwegen over de brand en zijn dood. Ik ging op de grond zitten. Hij zat in een gemakkelijke zetel. Veel lage boekenkasten.
Dat was een week daarvóór.

Bjorn had gezegd dat hij zijn voordeur gewoon achter zich dicht had willen trekken. Nee, dat zei hij niet tegen mij, maar aan Té. Die belde mij. Dat was één dag voor hij zijn huis uit moest.
Bjorn wist het toen al tien dagen, had het pas die laatste middag verteld omdat hij wat spullen bij Té wilde opslaan.
Té heeft na aandringen bij het deurwaarderskantoor nog twee dagen extra gekregen, zodat wij in actie konden komen. Hij heeft ook zijn voet in de deuropening gezet, Bjorn wilde ons niet binnenlaten. Dan hadden we geen respect meer voor hem, zei hij. Té vroeg of hij respect voor ons had? We wilden hem helpen om zijn schuld gelijk te houden. Bij een gerechtelijke ontruiming kwam er een behoorlijk bedrag bovenop, kon hij levenslang gaan afbetalen. Uiteindelijk gaf Bjorn toe. Achter hem die enorme geur die ons verstikte, die ook niet uit de open ramen vertrok, en waar we uiteindelijk aan wenden.
De gang was dichtbebouwd met bierblikken, rijen dik, aan weerskanten. Bjorn had er torens van gebouwd, keurig netjes op elkaar; beklemd tussen vloer en plafond. De loop in het midden, een stoeptegel breed.
We zijn begonnen met die blikken, legio blikken. Ze kwamen overal vandaan. De keuken en de slaapkamers volgestouwd. Uit de kasten rolde een platgedrukte berg.
De verwarming deed het niet. Bjorn had geen gas, geen warm water. Niet vanwege afsluiting, zoals we eerst dachten, maar vanwege een versleten combiketel, zelfs niemand binnen gelaten voor onderhoud.
Hij heeft zich alles ontzegd…
We hebben zijn meubels naar het stort gebracht, overal zat de schimmel in en die dikke lucht. Zijn bed bestond uit stukjes schuim. De zitbank ook, nadat hij daarop is gaan slapen.
Ap is weggegaan. Hij heeft arachnofobie; er waren nog meer spinnen dan die blikken bij elkaar. Een reptielenhuis was er blij mee geweest.
Bjorn is twee keer komen kijken, daarna zat hij weer bij jou thuis. Ja, heel opgewekt, zeg je. Blij dat hij van die rotplek af was? Het dringt nog steeds niet tot hem door dat hij niets meer heeft.
Hij heeft nu hulp. Zijn huisarts wilde niks weten van die zooi en schulden, maar hij zag dat de situatie ernstig genoeg was om wel de verslavingszorg in te schakelen. Had hij al eens gedaan, zei hij, maar toen is Bjorn voor het eerste gesprek niet komen opdagen.
Hij heeft inmiddels twee gesprekken gehad; willen dat hij eerst zijn leven weer oppakt. Uitkering aanvragen, kamer zoeken en schuldhulpverlening. Dan pas twee weken opname om van zijn verslaving af te komen. Ik snap dat wel, maar zo verandert er niet veel. Voor hem ligt alles in de toekomst. Zodra die dichterbij komt, schuift hij het weer naar voren.

Hij wil me graag van dienst zijn, zegt hij, maar als ik daadwerkelijk iets vraag, is hij zijn medicatie vergeten, moet hij brieven schrijven of heeft hij pijn in zijn rug. Hij woont in zijn verleden, op zolder. En wil daar ook een uitgeverij beginnen, in kruiswoordraadsels. Of spreuken maken, waar mensen iets aan hebben. Misschien moest er nog iets achter die tekst op de lantaarnpaal geschreven worden? Blijf erover nadenken.
Ik voel me schuldig. Hij had eerder geholpen moeten worden, maar hebben we wel gezien wat hij niet heeft willen laten zien? Achteraf is het ook niet gemakkelijker praten. Zou jij een vriend op straat zetten? Nee? Wil jij hem hebben?

 

Met dank aan Ties Krijger, via mail.

Foto: Jo Hendriks

Foto: Jo Hendriks

Advertenties